Een kerstverhaal

Kerstavond ontspoort

“Oh waarom hebben we toch zo lang doorgewerkt,” klaagt Liesbeth terwijl ze kleumend naast haar collega’s op het perron van Eindhoven staat. Het is de dag voor kerst en samen met Erik en John heeft ze tot acht uur ’s avonds door gewerkt. “Het is nu in ieder geval klaar, kunnen we zorgeloos kerst vieren!” glimlacht John, van wie de lippen al een beetje blauw aan lopen van de kou. Al kan dat ook aan de vreemde cocktails liggen die de drie op de kerstborrel op hebben. “Wel grappig om binnen te lopen als iedereen al zatjes is,” had Erik gezegd toen ze om half negen pas aansloten bij de rest van hun collega’s. “Nou, die achterstand hadden de jongens snel weer weten in te halen,” denkt Liesbeth bij zichzelf. Zelf heeft ze maar één van die smerige, blauwe cocktails op. Hij smaakte naar kauwgom en had een vreemde bittere nasmaak.

“Ah shit, vijf minuten vertraging! Als hij maar niet uitvalt!” roept Liesbeth als ze de rode tekst op het bord ziet verschijnen. Het is de laatste trein van vandaag en ze vindt het maar niks om zo laat nog alleen met de trein te moeten. John en Erik houden haar nog gezelschap op het perron, maar hoeven zelf niet met de trein. Die zijn van plan om straks nog de stad in te gaan en ongetwijfeld nog meer alcoholische drankjes te consumeren. En alsof het nog niet erg genoeg, besluit John haar angst nog wat meer aan te wakkeren.

“Pas je straks wel op in de trein? Straks kom je de onthoofde conducteur nog tegen,” grijnst John naar Liesbeth. Erik begint te lachen en voor de vorm glimlacht Liesbeth mee. “Jaja, zeker omdat het kerstavond is. Krijg ik dan straks ook de geest van het verleden, heden en toekomst te zien, net als in dat verhaal van Charles Dickens?” De glimlach verdwijnt van John’s gezicht en ineens zegt hij bloedserieus “Het is anders een bekend verhaal, hoor. Eind 19de eeuw, toen dit traject nog maar net was aangelegd, toen is er een trein verongelukt. Het verhaal gaat dat een conducteur achter twee zwartrijders aanging. Tijdens een wilde achtervolging door de coupés, trokken de schavuiten aan de noodrem. Dat ging in die tijd niet bepaald subtiel: de trein ontspoorde en wat volgde was een grote crash met veel doden. De conducteur zou onthoofd zijn tijdens het ongeluk. Dat ongeluk gebeurde op kerstavond. Sindsdien doet het verhaal de ronde dat elke kerstavond de geest van de onthoofde conducteur gezien wordt in de trein; op zoek naar zwartrijders.” Liesbeth fronst haar wenkbrauwen en voelt een rilling over haar rug trekken. Er hangt een akelige stilte tussen de drie collega’s, John’s gezicht staat nog steeds op standje serieus. Plots doorbreekt Erik de stilte door het laten van een grote boer. “Gadverre…” maar John krijgt geen tijd om zijn woord af te maken; hij kan nog net op tijd opzij springen terwijl Erik een grote stroom aan blauwgroene smurrie overgeeft op het perron.

Tien minuten later zwaait Liesbeth vanuit de trein naar de nu witgekleurde Erik en nors kijkende John op het perron. “John zal ander gezelschap moeten zoeken als hij nog wil gaan borrelen,” denkt Liesbeth bij zichzelf. “Net goed, moet hij me maar niet bang maken.” Zuchtend laat ze zich achterover vallen in de stoel. Het is rustig, niet veel mensen moeten nog naar Tilburg. Ze heeft zelfs de hele coupé voor haarzelf. Normaal gezien vindt Liesbeth een beetje rust wel lekker in de trein op weg naar huis. Dit is echter wel erg rustig. “Zal ik naar een andere coupé lopen,” denkt ze bij haarzelf. Op een of andere manier vindt ze het altijd een beetje eng om geen medepassagiers te zien. Alsof hun aanwezigheid haar geruststelling geeft dat ze niet per ongeluk in een trein zit die naar het rangeerterrein vertrekt, in plaats van de bedoelde eindbestemming. En mocht dat onverhoopt wel gebeuren, dan is ze in ieder geval niet alleen. “Stik, ik blijf gewoon zitten. Niet zo kinderachtig doen, Liesbeth!” mompelt ze zichzelf streng toe.

BWAM!!! Liesbeth schrikt op van een luide klap gevolgd door hard metalig geratel en een hoog gierend geluid. Het licht gaat plotseling uit en het is pikkedonker in de coupé. Dan, even plotseling als het gekomen is, houdt het geraas op en is er weer licht. Liesbeth slaakt een zucht van verlichting: “Het was maar een tegenligger!” Een goederentrein op het naastgelegen spoor passeerde en de luchtdruk en snelheid van beide treinen moet het licht hebben laten knipperen. Gelukkig is er nu weer licht. Alhoewel: de grote lampen in het midden van de coupé, zijn nog steeds uit. De lampjes rechts en links boven de stoelen doen het nog wel en zijn aan daar waar de schakelaar om staat. “Normaal ben ik geen fan van die lampjes, maar nu ben ik er blij mee,” denkt Liesbeth terwijl ze ook het lampje boven haar stoel aanswitcht. Ze trekt haar sjaal dichter om haar hals, het is koud in de trein. “Was het net ook al zo koud? Waar zijn we eigenlijk?” maar door het raam is niets te zien. Niet alleen laten de wolken te weinig maneschijn door om maar iets te kunnen zien, de ramen zijn ook bedekt met een dikke laag ijsbloemen.

Terwijl Liesbeth met haar mouw zinloos over de dikke laag ijs wrijft, hoort ze een zacht zoemend geluid, gevolgd door een harde klik. Zzzzzmmmm KLIK! Zzzzzzzmmmm KLIK! Als Liesbeth haar gezicht draait naar waar ze denkt dat het geluid vandaan komt, ziet ze net hoe één van de lampjes boven de stoelen aan het andere einde van de coupé uit gaat. Zzzzzzmmm, het lampje ernaast begint zenuwachtig te knipperen en dan KLIK! gaat ook dat lampje uit. Liesbeth weet niet goed wat er aan de hand is, maar ze voelt haar hartslag omhoog gaan. Zzzzzzzmmm KLIK! KLIK! Weer twee lampjes uit, “wat is er in godsnaam aan de hand???” denkt ze terwijl ze allerlei mogelijke technische verklaringen probeert te bedenken. Ondertussen zijn er nog maar vijf lampjes aan, inclusief die direct boven haar hoofd. In de verte hoort ze rennende voetstappen, alsof er iemand aan komt rennen door het halletje aan het einde van de coupé. Zzzzzmmmm KLIK! De schuifdeur blijft dicht, niemand komt binnen rennen. Al is het moeilijk te zien, want de duisternis trekt verder op als Zzzzmmmm KLIK KLIK KLIK! alleen het lampje boven haar hoofd nog aan is. Het is inmiddels zo koud in de trein dat Liesbeth’s adem bevriest. Ze maakt kleine wolkjes als ze snel in en uit ademt terwijl haar hart in haar keel bonst. Zzzzzzmmmm “Nee, neeneeneeneeee,” fluitstert ze angstig zachtjes voor zich uit, terwijl haar ogen zich vullen met tranen. Haar gebeden worden echter niet verhoord en met een harde KLIK! gaat ook het laatste lampje uit en is het ineens heel, heel, héél erg donker.

“Rustig, rustig, rustig! Niets aan de hand! Het komt vast door de kou! Ja. Ja, dat klinkt goed. De koud. Door de koud doen de lampjes het niet. Pfffff…. Rustigrustigrustig!” Al prevelend probeert Liesbeth zichzelf tot rust te manen. In de verte hoort ze weer rennende voetstappen, nu in de coupé. “Ha-hallo?” vraagt Liesbeth zachtjes, ze ziet echt helemaal niks. Dan van dichtbij ineens hard gelach en een vlaag koude lucht blaast langs haar heen als de voetstappen vlak naast haar stoel voorbij rennen. De deur naar het halletje achter haar vliegt open en het gerammel van de treinwielen op het spoor, dat altijd harder klinkt in de halletjes, dondert in haar oren. Dan slaat de deur dicht en is het weer stil. Opeens is ze boos. “John!? Erik?!” roept ze hard. “Die eikels houden me voor de gek, natuurlijk! Dat ik daar niet meteen aan heb gedacht!” Boos graait ze naar haar tas op de grond en ze wil net opstaan om achter de voetstappen aan te gaan, als ze de schuifdeur aan het einde van de coupé open hoort gaan.

Ze weet niet waarom, maar besluit te blijven zitten. BOINK. BOINK. BOINK. Het klinkt als serieuze voetstappen, van een grote man. “Hallo?” roept Liesbeth opnieuw, ditmaal wat harder en zekerder klinkend. “Vast de conducteur die komt kijken wat er aan de hand is,” denkt ze bij zichzelf. “Als u op zoek bent naar die rennende jongens, ze kwamen hier net voorbij!” zegt ze ietwat betweterig. Ondanks dat ze zich een klein beetje schuldig voelt voor haar geklikspaan, kan ze een licht tevreden grijns niet onderdrukken. “Stelletje etterbakken, mij zo bang maken…” BOINK. BOINK. BOINK. De zware voetstappen naderen, maar ze hoort verder geen reactie. Zou hij haar wel gehoord hebben? Of is het de conducteur niet? “Het is zo donker, ik kan u niet zien. Wie bent u?” vraagt ze voorzichtig. Aan de stappen te horen is hij nog maar een paar stoelen van haar verwijderd. BOINK. BOINK. Opnieuw komt Liesbeth’s adem in kleine wolkjes uit haar mond. Ze ruikt een licht zure geur, komt dat van die man? BOINK. BOINK. BOINK. BOINK. Dan stopt het. De man, “is het wel een man…??” staat naast Liesbeth’s stoel. Inmiddels trekken buiten de wolken weg voor de maan, waardoor een licht wit schijnsel door de bevroren ramen valt. Liesbeth kan eindelijk weer wat zien en als ze naar de figuur naast haar stoel kijkt, stokt haar adem.

Een dikke, grof geweven donkere broek slobbert om de man’s lange benen. Daarboven een morsig jasje, gekreukeld en een niet meer te lezen naamkaartje. Voor zijn buik hangt een klein, zilveren fluitje en de groezelige handen zijn op de buik ineen gevouwen. Langzaam gaat Liesbeth’s blik naar boven, langs het fluitje e en de brede schouders die verslagen naar beneden hangen. De man zegt nog altijd niks en lijkt op iets te wachten. Liesbeth kijkt vragend op naar de man’s gezicht en gilt het uit. Boven de schouders is niets te zien: de man heeft geen hoofd.

Bevroren van angst staart Liesbeth vol ongeloof naar de leegte voor haar. Dan beweegt de man zijn handen, opnieuw gilt Liesbeth, bang voor wat de man gaat doen. Hij steekt zijn hand uit, die zwart ziet van, ja van wat eigenlijk? Modder, opgedroogd bloed, viezigheid, het is niet goed te zien in het semi-donker. Wel ruikt Liesbeth de sterke zure geur die er vanaf komt, nu de hand zo dicht voor gezicht zweeft. “Elke kerstavond… de geest van de onthoofde conducteur… op zoek naar zwartrijders…” herinnert Liesbeth zich ineens, “het verhaal van John, natuurlijk! Maar… ik ben geen zwartrijder?” Heel voorzichtig, zonder oogcontact (of althans, daar waar ogen hadden moeten zitten) te verliezen met de hoofdeloze man, schuift ze haar trillende hand in haar jaszak. Langzaam haalt ze haar OV-chipkaart tevoorschijn en houdt ze deze voor haar gezicht, vlak voor de groezelige hand. Dan even zo langzaam trekt de man zijn hand terug, draait een halve slag en BOINK. BOINK. BOINK. loopt hij verder door de coupé. Opnieuw dondert het treingeraas door de coupé als de schuifdeur zich opent en opnieuw is het doodstil als deze zich weer sluit.

Zzzzzmmmm KLIK! Licht! Alle lampen floepen aan in de coupé en eventjes kan Liesbeth nog steeds niets zien omdat ze verblind is door het plotselinge licht. Alles ziet er normaal uit; geen hoofdeloze man, wegrennende zwartrijders of wat dan ook te zien. De ijsbloemen zijn verdwenen van de ramen en het voelt lang zo koud niet meer. “Goedenavond dames en heren, binnen enkele minuten komen we binnen op station Tilburg…” klinkt een vrolijke stem door de luidsprekers. Liesbeth staat op en loopt voorzichtig naar het halletje, maar ook daar is niks geks te zien. “Heb ik dit dan allemaal gedroomd? Hmm, misschien is die ene cocktail toch harder aangekomen dan ik dacht. Ik zal wel in slaap gevallen zijn.” Opgelucht en nog een beetje glimlachend over haar eigen doorgeslagen fantasie, stapt Liesbeth uit de trein. Op de roltrap naar beneden, zoekt ze in haar jaszak naar haar OV-chipkaart om uit te kunnen checken. Haar hand vindt echter niet alleen haar chipkaart. Verbaasd staart ze naar het lange zwarte koortje in haar handen met aan het uiteinde een klein, zilveren fluitje.

 

 

4.80 avg. rating (91% score) - 5 votes

5 comments

  1. Stefanie says:

    Spannend! Er komt een dag dat er een echte Josine Nieuwland in mijn boekenkast staat en je gelezen wordt in de trein.. Doe maar een hele dikke! Als ik dan op Kerstavond met de trein naar Tilburg moet, heb ik iets om me te verdedigen ;-D

Geef een reactie