Marte Jacobs

Tim Krabbé – Marte Jacobs: droevig mooi

Marte Jacobs‘Er was een moment waarop ze allebei alleen aan de kant zaten en elkaars blik opvingen. Ze knikten en lachten even. Maar Emile ging niet naar haar toe. Haar rol in het toneelstuk was te klein geweest om haar ermee te kunnen complimenteren, en hij kon ook niet met haar gaan dansen. Een zesdeklasser met een eersteklasser – zoiets bestond niet. De hele school zou gonzen van de vraag wat dat te betekenen had.’

Marte Jacobs is het mysterieuze en ongrijpbare meisje om wie alles draait in deze zwartromantische roman van Tim Krabbé. De talentvolle maar verlegen dichter Emile Binenbaum vereert haar: eerst heimelijk, op afstand, maar algauw overwint Emile zijn schroom en zoekt hij contact met haar. Het is het begin van een innige en bijzondere vriendschap tussen twee geestverwanten, die voorbestemd lijken om de rest van hun leven te delen.

Vanaf de eerste pagina grijpt het verhaal je bij de kladden, hoewel er gedurende het boek niet zo heel veel gebeurt. Maar het is juist het wachten op iets, tot er iets gebeurd, wat het verhaal spannend maakt. Krabbé creëert een mysterie rondom de bijzondere ‘vriendschap’ tussen Emile en Marte en het einde van hun vriendschap. Hoofdpersoon Emile kent Marte als geen ander, aan de andere kant kent hij haar helemaal niet. Samen met een oud-klasgenoot Willem Reiff belandt hij in een soort van concurrentiestrijd om de jonge Marte, alleen weet je als lezer niet waarom. Wat is er gebeurd tussen Marte en Emile? En wat heeft Reiff ermee te maken?

Het is bijzonder kunstig hoe Tim Krabbé een boek heeft weten te schrijven over iets dat niets is en toch zoveel betekenis heeft. Herkenbaar geschreven, een beetje triest maar dat maakt het verhaal juist mooi.

Wij zijn, maar wij zijn niet geschift

Tim Krabbé – Wij zijn, maar wij zijn niet geschift: intrigerend en verontrustend verslag van Columbine

Wij zijn maar wij zijn niet geschiftOp 20 april 1999 schoten twee jongens op Columbine High School in Littleton, Colorado, een leraar, twaalf leerlingen en zichzelf dood. Het wordt in Amerika nog steeds gevoeld als een nationale schoffering in de orde van Pearl Harbor en 9/11, en het leeft wereldwijd voort in fictie en non-fictie, en in nieuwe schietpartijen.

Toen Tim Krabbé zich in 2007 voor Columbine ging interesseren ontdekte hij dat wat hij dacht te weten (twee gepeste jongens namen wraak; ze schoten kinderen dood die Ja hadden gezegd op de vraag of ze in God geloofden; ze waren die ochtend eerst gaan bowlen) niet klopte – en dat de werkelijkheid veel vreemder en griezeliger was. Krabbé las tienduizenden bladzijden getuigenverklaringen, rapporten, dossiers, krantenstukken, en de schoolopstellen, websites en dagboeken van de daders, Eric Harris en Dylan Klebold; intelligente jongens uit liefdevolle, hoogopgeleide gezinnen. Hij vond details die nog door niemand waren gezien en ontdekte dat er geen enkel boek was waarin de hele zaak gedetailleerd, nauwkeurig en open wordt geanalyseerd en verteld.

Dat boek schreef hij. Wij zijn maar wij zijn niet geschift heeft terecht de pretentie het definitieve boek over Columbine te zijn. Krabbé weerlegt de gangbare opvatting dat Eric een psychopathisch meesterbrein was en Dylan zijn depressieve, willoze volgeling. Hij laat zien dat het een filosofische misdaad was waarbij de verhouding tussen de twee heel anders lag en veel interessanter was dan altijd wordt aangenomen.

Dit boek bestaat als het ware uit drie delen. In het eerste deel vertelt Krabbé aan de hand van de politiedocumenten en vele getuigenissen het verhaal van die vreselijke dag. In chronologische volgorde geeft hij een analytisch verslag van de dag; uur voor uur en de precieze route die de jongens volgen in de school tot het neerschieten van de slachtoffers aan toe. Het tweede deel van het boek vertelt over de daders, Eric Harris en Dylan Klebold. Aan de hand van de dagboeken van beide jongens en opnieuw getuigenverklaringen, probeert Krabbé een beeld te schetsen van de twee pubers.

Het verslag van uur tot uur van de noodlottige dag is intrigerend, spannend en luguber. Maar dit tweede deel wordt wat langdradig, vooral als het wazige dagboek van Dylan wordt besproken. Er is soms geen touw aan vast te knopen, Krabbé schrijft dit ook letterlijk in zijn boek. Toch is het belangrijk om je door dit gedeelte van het boek te worstelen, want het helpt je een beeld te vormen over de gevoelens en de karakters van de moordenaars.

In de laatste hoofdstukken durft Krabbé op basis van zijn eigen research de belangrijkste aanname, namelijk dat Eric Harris de psychopaat en aanstichter van het stel was en Dylan Klebold slechts de sullige volger, te weerleggen met heldere argumenten. Het is altijd moeilijk om achteraf conclusies te trekken over mensen die er niet meer zijn. Daar ligt dan ook weer een beetje het gevaar van dit boek. Is Krabbé wel in de positie om deze conclusies te trekken? Op basis van wat ik gelezen heb in het boek en de argumentatie van Krabbé (die overigens niet beweerd de waarheid in pacht te hebben), durf ik op zijn opinie te vertrouwen. Volgens Krabbé was er geen reden voor het bloedbad. Ze… deden het gewoon. En dat vind ik nu zo eng. Want als zij het gewoon deden, wat weerhoudt anderen dan om het niet ook te doen?

Wij zijn maar wij zijn niet geschift is een intrigerend en enigszins verontrustend boek. Beangstigend omdat uit het boek blijkt dat de daders ook maar gewone pubers waren met typische door hormonen gestuurde verwarrende gevoelens. Het geeft je een indruk van wat er die dag op Columbine High School is gebeurd en ook wat er daarna gebeurt met de politierapporten en getuigenverslagen en hoe verdriet voor de nabestaanden de waarheid soms verdraait.

Reeds gepubliceerd op www.theSword.nl